Van de BMW is niet veel meer over. Bergers hijsen het felrode wrak achterop een truck, politiemannen in witte keffiyehs staan er hoofdschuddend bij. De taxichauffeur klikt met zijn tong, laat de snelheid even beneden de 130 zakken, draait zich naar me om en roept: ‘TOO MUCH ACCIDENT DO HAPPENS IN THIS COUNTRY!’ Hij rolt geruststellend met zijn ogen, geeft gas, schiet met 140 rechts langs de file en ontwijkt op het nippertje een invoegende betonwagen. Dubai wordt ook wel ‘the fastest city in the world’ genoemd. De weggebruikers doen er alles aan om die reputatie waar te maken.
Snelwegen met honderden wolkenkrabbers ertussen, honderden wolkenkrabbers met snelwegen ertussen. Voor zo’n snelle stad is Dubai excessief saai. In het deel van de stad waar mijn hotel staat is niets ouder dan zeven jaar. Er is op werkelijk schrikbarende schaal gebouwd de afgelopen jaren. De winkels en horecagelegenheden zijn er voornamelijk Amerikaans. (Starbucks, Subway, Kentucky-Fried-Chicken-maar-dan-halal…) De inwoners zoeken hun vertier in de winkelcentra – bij gebrek aan beter. Musea en theaters zijn er weinig. Grafitti en (bijvoorbeeld) affiches überhaupt niet.
Het geheel maakt een kraakzindelijke, maar ook een ongezond steriele indruk, een beetje alsof de braafste bonzen uit de CDA-top een moderne stad hebben mogen ontwerpen en daarvoor een onbeperkt budget hebben gekregen. Of anders Las Vegas, maar dan zonder casino’s en zonder drank. Agressieve perfectie op een monsterlijke schaal. In vier dagen Dubai heb ik maar één keer iets gezien dat kapot was, een stoelkussentje op kantoor (okee, en die BMW dan). Het is interessant om een keer te zien, Dubai, maar niet een plek waar je wilt wonen.
Al was het maar omdat een biertje er omgerekend acht euro kost (en bovendien alleen in hotelbars en nachtclubs verkrijgbaar is). Mocht je ooit naar Dubai reizen, vergeet dan niet om duty free drank in te slaan, dat kan ook bij aankomst. (Als je zelf niet drinkt kun je het spul nog altijd aan je collega’s verpatsen, de kans dat ze dit blog lezen is niet groot.) Uit arren moede hebben we ons beperkt tot Perrier, die ons bij 32 graden recht naar het hoofd steeg.
Het eten is er dan weer uitstekend. We hebben voornamelijk Libanees en Syrisch gegeten: veel kebab, tabouleh, brood met een soort zurig sesam/tijmsmeersel, erg pittige worstjes, salades, tafelzuren en – heel fijn – radijsjes ingelegd in azijn, zout en rode bietensap. Als ik dat in Nederland ooit nog tegenkom koop ik meteen een hele pot.
Het kantoor van mijn broodheren staat in Dubai Internet City (DIC), een van de vrije economische zones in Dubai. (Er is ook een Media City en een Knowledge Village.) In de vrije zones geldt een aantal gunstige belastingvoorwaarden, waardoor ondernemers naar hartelust kunnen handelen en (belangrijker!) de koffie en broodjes in de kantine er zo goed als gratis zijn.
Autochtonen zie je maar mondjesmaat hier, ze maken 20% van de bevolking uit en werken nauwelijks, tenzij bij de overheid (de politie of de paspoortcontrole op ‘t vliegveld bijvoorbeeld). In de workshop hier hebben we twee Libanezen, drie Oostenrijkers, een Bulgaarse, drie Egyptenaren, een Marokkaan, een Pakistani en – euh – een Nederlander. Contact tussen de Emirati’s en de buitenlanders is er nauwelijks, een wonderlijke samenleving. De Emirati’s zijn zo goed als onzichtbaar. 46% van de bevolking komt uit India. Taxichauffeurs, receptionisten, schoonmakers, bouwvakkers en winkeliers: de Indiërs zijn overal.
De vogels hier zijn trouwens ook voor een flink deel Zuid-Aziatisch: treurmaina’s, oevermaina’s en huiskraaien gezien, alsmede een roodachtig miniatuurtortelduifje dat ik nog moet determineren, een Arabische buulbuul, huismussen (een lokale variant wellicht?) en in een vijver in Internet City een smyrna-ijsvogeltje.
Mijn hotel, het Hilton Jumeirah, is met 10 verdiepingen zo’n beetje het laagste gebouw in Dubai. Het ligt direct aan zee, langs een boulevard waar het ‘s morgens wemelt van joggende expats. Vanuit het raam heb je uitzicht op de Arabische golf en één van de fameuze ‘palmeilanden’, dat door de ingestorte markt grotendeels braak ligt.
Het hoogste gebouw, niet alleen in Dubai maar in de hele wereld, is Burj Khalifa, met 828 meter (dat is verdomme van mijn huis naar het metrostation) en 163 verdiepingen. Oorspronkelijk moest de toren ‘Burj Dubai’ gaan heten, maar op het laatste moment werd besloten het gebouw naar sjeik Khalifa bin Zayed Al Nahyan, de sjeik van Abu Dhabi, te noemen, vanwege zijn ‘cruciale ondersteuning’. (Lees: toen vlak voor de voltooiïng van de toren de economische crisis toesloeg heeft sjeik Khalifa een substatieel stuivertje bijgelegd.)
Ik had ‘m graag willen bezoeken (de toren bedoel ik, niet de sjeik), maar dat kost 400 dirham, omgerekend tachtig euro. Voor die prijs gaan ze maar op het dak zitten. Het onderliggende winkelcentrum, de Dubai Mall, heb ik nog wel bezocht, maar voor Lacoste, Tommy Hilfiger en Hugo Boss kun je ook naar hoeheethet, die factory outlet bij Lelystad. Dat is aanzienlijk leuker.
De sjeiks zijn overigens prominent aanwezig in het straatbeeld of – zoals hier – in de gebouwen. Overal hangen de portretten van sjeik Khalifa (niet alleen sjeik van Abu Dhabi, maar ook president van de VAE), sjeik Mohammed bin Rashid Al Maktoum (sjeik van Dubai en premier van de VAE) en diens zoon sjeik Hamdan bin Mohammed Al Maktoum, kroonprins, dichter en begenadigd springruiter, die (ik kan het ook niet helpen) een passie voor kamelen schijnt te hebben.
Ze glimlachen minzaam, de sjeiks, genadig en rechtvaardig. Maar de blik in hun ogen suggereert dat ze elk moment een zwerm sprinkhanen kunnen sturen, of kikkers, muggen, hagel en vuur. Nou dat kan ik ook. Kijk maar eens:
Dus pas op hè.



























