Bij de baard van de proleet!

Geplaatst onder nomadisch leed op 20/03/2011 door Matou

Van de BMW is niet veel meer over. Bergers hijsen het felrode wrak achterop een truck, politiemannen in witte keffiyehs staan er hoofdschuddend bij. De taxichauffeur klikt met zijn tong, laat de snelheid even beneden de 130 zakken, draait zich naar me om en roept: ‘TOO MUCH ACCIDENT DO HAPPENS IN THIS COUNTRY!’ Hij rolt geruststellend met zijn ogen, geeft gas, schiet met 140 rechts langs de file en ontwijkt op het nippertje een invoegende betonwagen. Dubai wordt ook wel ‘the fastest city in the world’ genoemd. De weggebruikers doen er alles aan om die reputatie waar te maken.

Snelwegen met honderden wolkenkrabbers ertussen, honderden wolkenkrabbers met snelwegen ertussen. Voor zo’n snelle stad is Dubai excessief saai. In het deel van de stad waar mijn hotel staat is niets ouder dan zeven jaar. Er is op werkelijk schrikbarende schaal gebouwd de afgelopen jaren. De winkels en horecagelegenheden zijn er voornamelijk Amerikaans. (Starbucks, Subway, Kentucky-Fried-Chicken-maar-dan-halal…) De inwoners zoeken hun vertier in de winkelcentra – bij gebrek aan beter. Musea en theaters zijn er weinig. Grafitti en (bijvoorbeeld) affiches überhaupt niet.

Het geheel maakt een kraakzindelijke, maar ook een ongezond steriele indruk, een beetje alsof de braafste bonzen uit de CDA-top een moderne stad hebben mogen ontwerpen en daarvoor een onbeperkt budget hebben gekregen. Of anders Las Vegas, maar dan zonder casino’s en zonder drank. Agressieve perfectie op een monsterlijke schaal. In vier dagen Dubai heb ik maar één keer iets gezien dat kapot was, een stoelkussentje op kantoor (okee, en die BMW dan). Het is interessant om een keer te zien, Dubai, maar niet een plek waar je wilt wonen.

Al was het maar omdat een biertje er omgerekend acht euro kost (en bovendien alleen in hotelbars en nachtclubs verkrijgbaar is). Mocht je ooit naar Dubai reizen, vergeet dan niet om duty free drank in te slaan, dat kan ook bij aankomst. (Als je zelf niet drinkt kun je het spul nog altijd aan je collega’s verpatsen, de kans dat ze dit blog lezen is niet groot.) Uit arren moede hebben we ons beperkt tot Perrier, die ons bij 32 graden recht naar het hoofd steeg.

Het eten is er dan weer uitstekend. We hebben voornamelijk Libanees en Syrisch gegeten: veel kebab, tabouleh, brood met een soort zurig sesam/tijmsmeersel, erg pittige worstjes, salades, tafelzuren en – heel fijn – radijsjes ingelegd in azijn, zout en rode bietensap. Als ik dat in Nederland ooit nog tegenkom koop ik meteen een hele pot.

Het kantoor van mijn broodheren staat in Dubai Internet City (DIC), een van de vrije economische zones in Dubai. (Er is ook een Media City en een Knowledge Village.) In de vrije zones geldt een aantal gunstige belastingvoorwaarden, waardoor ondernemers naar hartelust kunnen handelen en (belangrijker!) de koffie en broodjes in de kantine er zo goed als gratis zijn.

Autochtonen zie je maar mondjesmaat hier, ze maken 20% van de bevolking uit en werken nauwelijks, tenzij bij de overheid (de politie of de paspoortcontrole op ‘t vliegveld bijvoorbeeld). In de workshop hier hebben we twee Libanezen, drie Oostenrijkers, een Bulgaarse, drie Egyptenaren, een Marokkaan, een Pakistani en – euh – een Nederlander. Contact tussen de Emirati’s en de buitenlanders is er nauwelijks, een wonderlijke samenleving. De Emirati’s zijn zo goed als onzichtbaar. 46% van de bevolking komt uit India. Taxichauffeurs, receptionisten, schoonmakers, bouwvakkers en winkeliers: de Indiërs zijn overal.

De vogels hier zijn trouwens ook voor een flink deel Zuid-Aziatisch: treurmaina’s, oevermaina’s en huiskraaien gezien, alsmede een roodachtig miniatuurtortelduifje dat ik nog moet determineren, een Arabische buulbuul, huismussen (een lokale variant wellicht?) en in een vijver in Internet City een smyrna-ijsvogeltje.

Mijn hotel, het Hilton Jumeirah, is met 10 verdiepingen zo’n beetje het laagste gebouw in Dubai. Het ligt direct aan zee, langs een boulevard waar het ‘s morgens wemelt van joggende expats. Vanuit het raam heb je uitzicht op de Arabische golf en één van de  fameuze ‘palmeilanden’, dat door de ingestorte markt grotendeels braak ligt.

Het hoogste gebouw, niet alleen in Dubai maar in de hele wereld, is Burj Khalifa, met 828 meter (dat is verdomme van mijn huis naar het metrostation) en 163 verdiepingen. Oorspronkelijk moest de toren ‘Burj Dubai’ gaan heten, maar op het laatste moment werd besloten het gebouw naar sjeik Khalifa bin Zayed Al Nahyan, de sjeik van Abu Dhabi, te noemen, vanwege zijn ‘cruciale ondersteuning’. (Lees: toen vlak voor de voltooiïng van de toren de economische crisis toesloeg heeft sjeik Khalifa een substatieel stuivertje bijgelegd.)

Ik had ‘m graag willen bezoeken (de toren bedoel ik, niet de sjeik), maar dat kost 400 dirham, omgerekend tachtig euro. Voor die prijs gaan ze maar op het dak zitten. Het onderliggende winkelcentrum, de Dubai Mall, heb ik nog wel bezocht, maar voor Lacoste, Tommy Hilfiger en Hugo Boss kun je ook naar hoeheethet, die factory outlet bij Lelystad. Dat is aanzienlijk leuker.

De sjeiks zijn overigens prominent aanwezig in het straatbeeld of – zoals hier – in de gebouwen. Overal hangen de portretten van sjeik Khalifa (niet alleen sjeik van Abu Dhabi, maar ook president van de VAE), sjeik Mohammed bin Rashid Al Maktoum (sjeik van Dubai en premier van de VAE) en diens zoon sjeik Hamdan bin Mohammed Al Maktoum, kroonprins, dichter en begenadigd springruiter, die (ik kan het ook niet helpen) een passie voor kamelen schijnt te hebben.

Ze glimlachen minzaam, de sjeiks, genadig en rechtvaardig. Maar de blik in hun ogen suggereert dat ze elk moment een zwerm sprinkhanen kunnen sturen, of kikkers, muggen, hagel en vuur. Nou dat kan ik ook. Kijk maar eens:

Dus pas op hè.

Op de Terschellinger toendra

Geplaatst onder nomadisch leed op 31/12/2010 door Matou

Al voor de derde keer hebben S. en ik de donkere dagen in splendid isolation doorgebracht op een waddeneiland. En geheel volgens traditie was het bok-, ijs- en retekoud. Er lag zelfs weer sneeuw, zodat onze lange wandelingen de allure van heuse expedities kregen. (Tijd om te dagdromen was er genoeg.) Gelukkig hebben we de sledehonden niet hoeven oppeuzelen (en de Land Rover evenmin), want ‘s avonds konden we nog ruim op tijd aanschuiven voor de lamsbout, kabeljauw, bouillabaisse, zalmfilet, kreeft of biefstuk (echt, het waren sobere kerstdagen), die we dit keer niet wegspoelden met aquavit, maar met rode wijn en Juttersbitter. Nu alleen de oliebollen nog, dan kunnen we er weer een heel jaar tegen.

Huis te Vraag

Geplaatst onder literair leed op 21/06/2010 door Matou

‘k Ging naar begraafplaats Huis te Vraag
Om nieuwe verzen op te halen.
Ze liggen er los in de haag
Waarop de zonnestralen stralen

Vooral wanneer het als vandaag
Geregend heeft met lange halen
En er uit elke wolkenvlaag
Zo weer een stortbui neer kan dalen.

Maar ‘t hek was dicht hoewel het uur
Van sluiten nog niet had geslagen
En plots maakte ik me hevig zorgen:

Houden die verzen ‘t wel tot morgen?
Als ze daar in de haag vervagen,
Is dat een ramp voor de cultuur!

Hendrik van Teylingen (6 juni 1938 – 25 december 1998)

In één van de duizend-en-enige bloemlezingen van Gerrit Komrij struikelde ik gisteren over een gedicht van Hendrik van Teylingen. Het gedicht ging over een kindergraf en werkte nogal op de lachspieren. Niet omdat het met overdreven pathos geschreven was, het tegendeel was eerder het geval.

Van Teylingen, zo begreep ik uit het bijgaande essay, was een prominent aanhanger van de Hare Krishnabeweging (een polderhindoe, schrijft Komrij, met een verwijzing naar J.A. Dèr Mouw). Maar in tegenstelling tot wat je verwachten zou staan zijn gedichten niet blauw van de wierookdampen. Ze zijn eerder van een bijna koddige nuchterheid. Een interessante paradox. Omdat ik nog nooit van de man had gehoord snorde ik wat informatie over hem op.

Tot mijn verbazing blijkt zijn as te rusten op Huis te Vraag, waar ik drie of viermaal per week voorbijwandel. Omdat de dodenakker alleen onder kantooruren open is, kom ik er niet zo vaak als ik zou willen. Toch struin ik er zeker eens in de twee maanden rond. Ik wist niet beter of de begraafplaats was sinds 1962 niet meer in gebruik, maar de urn met Van Teylingens as is er in 1998 – euh – in de maneschijn begraven door zijn nabestaanden. De grafsteen met het gedicht van zijn hand – hij publiceerde vlak voor zijn overlijden een hele bundel over Huis te Vraag – stond er toen al, voor zover ik begrijp.

Vanmorgen passeerde ik Huis te Vraag op weg naar m’n werk. Aan de druppels op de fietszadels was te zien dat het geregend had. Hier en daar dreven indrukwekkende wolken, waaruit zo weer een stortbui neer had kunnen dalen. Het uur van openen had nog niet geslagen, maar het hek was open – de beheerster kwam juist aanfietsen en was zelfs zo vriendelijk me de steen met Van Teylingens gedicht te wijzen. Over de nabije toekomst van het vers hoefde ik me dus geen zorgen te maken.

Nu maar hopen dat de gemeente in 2012, wanneer de periode van grafrust voor Huis te Vraag afloopt, besluit om de begraafplaats niet te ruimen. Dat zou pas echt een ramp zijn – niet alleen voor het unieke stukje Amsterdam dat naar de ratsmodee gaat, maar ook, nou ja, voor de cultuur dus.

Gratis tip voor handige reclamejongens

Geplaatst onder sportief leed op 18/06/2010 door Matou

Persoonlijk ben ik van mening dat mensen die Bavaria aanprijzen, en de consument dan ook nog wijsmaken dat het bier is,  alle ellende verdienen die over ze heen komt. In het cachot ermee. Lijfstraffen, indien mogelijk. En – om maar eens een toepasselijke beeldspraak te gebruiken – laat ze de gifbeker tot het einde leegdrinken.

Maar ook bij bierbrouwers moet de kachel branden, dat begrijpt een kind. Laten we daarom onze eigen Damschreeuwer op het eerste vliegtuig naar Zuid-Afrika zetten (een directe vlucht, het moet wel leuk blijven), opdat hij in de propvolle stadions naar hartelust ‘Brand! Brand!’ kan schreeuwen. Daarin moet zelfs Maxime Verhagen – toch een volbloed Limbo – zich kunnen vinden.

Moet ik álles oplossen?

Ja hoor, het is duidelijk te zien…

Geplaatst onder sportief leed op 03/05/2010 door Matou

FC Twente is kampioen.

Laat mij toch slorpen van dat rode!

Geplaatst onder culinair leed op 27/03/2010 door Matou

In het oude Israël was aartsvader een prominente positie. Maar goed beschouwd hadden die aartsvaderen het zo jofel niet. Ze moesten toegeven aan de nukken van een jaloerse, psychotische en wispelturige god, ze hadden voortdurend gelazer met vrouwen, kinderen, schoonouders, slangen en hun personeel. Hun brood aten ze in het zweet huns aanschijns, de vervloekte grond bracht enkel doornen en distels voort. Als het slecht weer was waren ze gedwongen tot scheepsbouw en dierverzorging op ongeprecedenteerde schaal.

Dat lijkt verdomd veel op werk. We moeten ernstig twijfelen aan het verstand van iemand die zo’n klus ambieert. Toch is er zo’n figuur bekend. Jakob was eigenlijk helemaal geen echte aartsvader: hij had met list, bedrog en ellebogenwerk zijn oudere tweelingbroer Esau het eerstgeboorterecht afhandig gemaakt.

In bijbelse kringen gaat Jakob door voor sluw, of zelfs clever. In het bedrijfsleven van tegenwoordig zou zo’n ventje het vermoedelijk tot tweedelijns manager hebben geschopt. Maar ere wie ere toekomt: Esau had het een stuk beter geschoten. ‘Wat heb ik aan een taaie job,’ dacht hij, ‘terwijl ik ook nog loop te rammelen van de honger?’

Daarom verkocht hij zijn aartsvaderschap, en alle daarmee samenhangende ellende, aan zijn broer. Niet voor goud, niet voor vrouwen, maar voor een bord rode linzensoep. Wat zal hij gelachen hebben. Want mediterrane linzensoep, die is niet mis. Daar gaan we:

2 forse rode uien
4 tenen knoflook
Olijfolie
Zwarte peper
Zout
1 paprika
1 tl. djinten
2 tomaten
1 blikje tomatenpuree
1 1/2 liter groentebouillon
2 kruidnagelen
1 laurierblad
1 klein gedroogd chilipepertje
325 gram rode linzen
2 aardappelen (vastkokend)
1 citroen
Feta
Verse koriander

Zet een lekker grote soeppan op hoog vuur en giet er 2-3 eetlepels olijfolie in. Fruit hierin de fijngesneden rode uien en knoflook. Bestrooi dit geheel met zwarte peper uit de molen (naar smaak, flink wat dus) en een beetje zout. Zet wanneer de uien zacht worden het vuur iets lager en voeg de gesnipperde paprika toe. Strooi hier overheen een flinke theelepel djinten. Djinten is een grote smaakmaker in deze soep, zonder gaat het niet. Wees dus niet al te zuinig, maar overdrijf het ook niet! Snijd, terwijl deze boel vrolijk suddert, de tomaten in blokjes, open het blikje tomatenpuree en laat deze nog even meefruiten.

Voeg vervolgens anderhalve liter bouillon toe (liefst groentebouillon; kippe- of runderbouillon mag ook maar heeft een overheersender smaak) en laat daarin twee kruidnagelen, een laurierblaadje en een klein, gedroogd chilipepertje zwemmen. Mocht je die pepertjes niet in huis hebben: een theelepeltje sambal oelek doet wonderen. Voeg tenslotte 325 gram linzen – nattevingerwerk volstaat hier – en de twee geschilde, in blokjes gesneden piepers toe. Knijp er, zodra de hele boel weer kookt, een halve citroen boven uit (de andere helft nog even bewaren), voeg eventueel een beetje zout toe (de bouillon is al aan de zoute kant, pas op hè!) en laat de soep op zacht vuur ongeveer 45 minuten doorkoken.

Haal daarna de kruidnagelen en het laurierblad eruit, het pepertje mag je laten zitten. Vermoedelijk is het toch onvindbaar. Al te koppige groenten, die na deze behandeling nog iets van structuur vertonen, gaan we te lijf met de staafmixer, zodat een mooie, gladde soep ontstaat. Als je geen staafmixer bezit: niet getreurd. Probeer het bijvoorbeeld eens met een garde, een eierklutser of wrijf, in het ergste geval, de soep door een zeef. (En nou nooit meer zeggen dat je van mijn recepten geen spierballen krijgt.)

Het resultaat giet je in forse soepkommen en garneer je met verbrokkelde feta en fijngesneden verse koriander. Natuurlijk vraag je je af wat je met de andere helft van die citroen moet doen. Die serveer je erbij, zodat mensen die de soep niet fris genoeg vinden (tiens!) er nog wat citroensap aan kunnen toevoegen. Serveren met stok- of Turks brood, een lekkere rucolasalade en een goed glas rooie wijn.

Deze soep kun je zowel op warme zomerdagen als op koude winteravonden nuttigen, hij is dus uitermate geschikt voor de lente en de herfst. Een gratis advies: maak niet de vergissing om hem als voorgerecht te gebruiken. Dat kan natuurlijk wel, maar dan blijf je geheid met het hoofdgerecht zitten.

En voor het geval je een mooie functie in de aanbieding hebt, tant pis: deze soep is niet te koop.

Daar gaan we weer…

Geplaatst onder muzikaal leed op 12/03/2010 door Matou

New Model Army viert dit jaar z’n dertigjarig bestaan. Dat lijkt absurd lang, zelfs wanneer je je bedenkt dat de Rolling Stones al 48 jaar meedraaien. Maar goed, voor zover ik begrijp is het de bedoeling dat de band het hele jaar gaat toeren. Vanavond staan ze in Den Bosch en morgenavond in Arnhem. En uiteraard zijn S. en ik er bij. (In muziekkringen woedt het hardnekkige gerucht dat Justin Sullivan c.s. geen noot willen spelen als we niet komen opdagen. Vandaar.)

Een verslag volgt. En over het optreden van The Tallest Man On Earth, afgelopen maandag in Bitterzoet, moet ik ook nodig een stukkie tikken. Houd je tegoed – watch this space.

Who’s got the crack?

Geplaatst onder muzikaal leed op 16/02/2010 door Matou

Drugs zijn overal ter wereld te koop. Een beetje doorgewinterde gebruiker kan van Boston tot Beijing voor z’n portie terecht – zelfs op het platteland schijnt het tegenwoordig aardig te lukken. Toch heb ik de stellige indruk dat buitenlandse artiesten, en dan vooral de hardcore slikkers en spuiters onder dezulken – er juist in Amsterdam nog een schepje bovenop gooien.

Zodoende heb ik Keith Richards al eens totaal onaanspreekbaar op het podium zien staan, de Drive-By Truckers half slapend, en de Eagles of Death Metal zo verschrikkelijk opgecoked dat er werkelijk geen goeie noot meer uitkwam. Da’s jammer, want je betaalt tegenwoordig al gauw een paar tientjes voor een concertkaartje. Voor dat geld wil je niet naar een trippende autist staan kijken. Dat kan op het Stationsplein ook. Gratis.

Dit gezegd hebbende, moet ik toegeven dat we ontzettend hebben gelachen om Adam Green, afgelopen woensdag in Paradiso. Op het ogenblik dat hij het podium opkwam was hij al niet helemaal stabiel meer. Het feit dat hij tussen de nummers door een heel bakje paddestoelen oppeuzelde deed de situatie weinig goed. Zijn lulverhalen, die aan het begin van de avond nog iets van samenhang vertoonden, verzopen rond de toegiften in geraaskal. En zijn motoriek leek nog het meest op die van een reiger, die zich moedig flappend met te grote vleugels in de lucht probeert te houden.

Maar goed, de muziek was, alle drank- en drugsproblemen ten spijt, best om aan te horen. De begeleidingsband leek zowaar wel nuchter en speelde – afgezien van wat big-band achtige nummers – een verrassend punkige set. En gek genoeg schijnt Green’s bronzen stem (denk aan een kruisbestuiving van Nick Cave, Jim Morrison en Neil Diamond, maar dan met het gezicht van een joods engeltje en de stage persona van Pete Doherty) niet onder zijn inname te lijden. Zo zie je dat-ie nog geen dertig is.

Omdat hij het concert ook nog wist te beëindigen zonder van het podium te donderen (als we zijn twee zwembeurten in het publiek niet meetellen), zijn gezwets onderhoudend en zelfs hilarisch was, en omdat z’n liedjes geniaal zijn en blijven, hebben we een mooie avond gehad.

Alleen het geluid in de kleine zaal van Paradiso was, zoals gebruikelijk, om te janken.

(Hieronder een kort filmpje, gemaakt tijdens het optreden door een zekere calistalgie.)

Sint Anthoniepolder

Geplaatst onder nomadisch leed op 24/01/2010 door Matou

Uit de heup geschoten op zondag 18 april 2004, vlak na kerktijd, Zwanegat Sint Anthoniepolder (Hoeksche Waard).

Kruissteken

Geplaatst onder mokums leed op 24/01/2010 door Matou

Bleke stukjes laten bijkleuren, een jaar na dato. Plaatjes 1 & 2 v.l.n.r. respectievelijk S., M., Morrison Schiffmacher. Plaatje 3 v.l.n.r.: M., S.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.